DRIE VORMEN VAN LIJDEN
Volgens de boeddhistische visie kunnen we lijden ervaren op drie verschillende niveaus. Het eerste is lijden ten gevolge van pijn (duhkha-duhkhata). Dit is de onmiskenbare ellende van oorlog, hongersnood, politieke onderdrukking, onrecht, enzovoort.
Dan is er ook nog het lijden ten gevolge van verandering (viparinama-duhkhata). Dat is het soort lijden dat we gewoonlijk niet als werkelijk lijden zien. Alsje bijvoorbeeld op je werk erg onder druk staat, denk je misschien: 'Ach, ik neem gewoon vakantie en ga een paar weken lekker genieten, dan komt het wel weer goed'. Maar als je dan met vakantie gaat, krijg je ineens ruzie met je man of vrouw, of het is ontzettend moeilijk om een vlucht te boeken, bij aankomst blijkt je bagage zoekgeraakt te zijn; je kunt allerlei dingen meemaken die je niet had voorzien. Wat begon als iets heel prettigs, kan
ineens veranderen in een bepaalde vorm van lijden. Dat is lijden ten
gevolge van verandering.
De derde vorm van lijden wordt het lijden ten gevolge van voorwaardelijk bestaan (samsara-duhkhata) genoemd. Dit wil zeggen dat, alleen al door het feit dat we een mens zijn of een ander levend wezen, we het product zijn van oorzaken en voorwaarden. Bij onze geboorte ondergaan we de traumatische ervaring van geboren worden; als we opgroeien, ontmoeten we allerlei problemen die met de puberteit samenhangen; daarna hebben we problemen die met volwassen zijn te maken hebben, en ten slotte moeten we lijden door ouderdom en de aftakeling van ons lichaam. Ons hele leven hebben we dus te maken met verdriet, pijn en ziekte, uiteindelijk sterven we en daarmee houdt het op. Dat is het leven van de mens, dat is waarmee we moeten leren omgaan.
Nu zijn er westerlingen die vinden dat het boeddhisme wel erg pessimistisch is, omdat er zo veel nadruk wordt gelegd op het lijden. Maar in feite is het helemaal niet pessimistisch, het is alleen realistisch. De waarheid van het lijden hoeft ons niet pessimistisch te stemmen of ons het idee te geven dat er geen hoop zou zijn. We moeten deze waarheid op een specifieke manier zien te begrijpen. We moeten onaangename ervaringen en gebeurtenissen, de realiteit van de dingen, de feiten zoals ze zijn, onder ogen durven zien. Dat is waar het boeddhisme zich in feite om bekommert; als we daartoe niet in staat zijn, zullen we immers steeds weer in de verleiding komen om iets wat niet de bron van echt geluk is, aan te zien voor
datgene wat ons als enige gelukkig kan maken.
Begrijpen we eenmaal dat er lijden is in de wereld, dan moeten we om te beginnen nagaan wat nu precies de bron van dat lijden is. Ons lijden komt van binnenuit, vanuit de geest. Dit is buitengewoon belangrijk; want de mens heeft al zo vaak geprobeerd te doorgronden wat de werkelijke oorzaak vän lijden is, vanuit allerlei veischillende opvattingen. De een zegt dat het een voortvloeisel is van onze zondigheid, een ander zegt dat het komt doordat we ons van God verwijderd hebben, of God ongehoorzaam zijn geweest. Weer iemand anders zal zeggen dat het te maken heeft met de structuur van onze maatschappij, met ons economisch stelsel, het onderdrukken van seksuele driften, jeugdtrauma's, of vervreemding.
Maar al deze dingen ziet men in het boeddhisme slechts als afgeleide oorzaken van het lijden, en niet als de werkelijke oorzaak. De werkelijke oorzaak is onwetendheid: het niet weten wat heilzaam is en onheilzaam; niet weten wat ons werkelijk geluk zal brengen en wat ons ongelukkig zal maken. Gebrek aan kennis, oftewel gebrek aan inzicht, dat is de werkelijke oorzaak.
We moeten het dus in ons innerlijk zoeken. Wat overigens niet wil zeggen dat we moeten voorbijgaan aan het onrecht en de onderdrukking in de wereld; het wil zeggen dat we zulke dingen altijd moeten beschouwen als een reflectie van onszelf, van datgene wat zich afspeelt in onze geest. Wat er in de wereld om ons heen gebeurt, is een afspiegeling van wat er omgaat in de geest van iedere mens. We kunnen de grote bedrijven of multinationals wel beschuldigen van hebzucht en uitbuiting van landen in de derde wereld, maar kleine ondernemers doen waarschijnlijk precies hetzelfde met
hun eigen werknemers.
In derdewereldlanden kijkt men vaak met een jaloerse of vijandige blik naar de zogenaamde eerstewereldlanden, en soms ook met iets van ontzag of met gemengde gevoelens. En ook wij kijken soms op die manier naar mensen die succes hebben, die miljonair zijn geworden; aan de ene kant zijn we jaloers, maar we hebben ook respect voor het feit dat ze iets bereikt hebben dat ons niet is gelukt. Het is ontzettend makkelijk al zulke dingen op anderen te projecteren, te denken dat hèt aan de samenleving ligt omdat die niet goed functioneert, of aan die grote bedrijven die allemaal de vreselijkste dingen doen. Bij deze manier van denken is er altijd wel iemand die je de schuld kunt geven, zonder te kijken naar de manier waarop zo'n situatie ooit heeft kunnen ontstaan.
Samenlevingen en grote concerns zijn echter geen structuurloze eenheden, ze bestaan uit een verzameling individuen, uit mensen als wijzelf. Voor een boeddhist is dus niet God degene die de wereld geschapen heeft, maar onze eigen geest. Want de geest is de enige die verantwoordelijk is voor al onze gewaarwordingen van vreugde, geluk, pijn of lijden.
Als beoefenaar van het boeddhisme is het daarom heel belangrijk dat je begrijpt hoe de geest werkt, en daarom is meditatiebeoefening ook zo belangrijk voor een boeddhist. Dat heeft niets te maken met het opwekken van een toestand die dichter bij een grotere werkelijkheid ligt, of met de een of andere spirituele werkelijkheid die los van onze geest staat. Meditatiebeoefening heeft te maken met het verkrijgen van meer inzicht in jezelf. Omdat we onszelf niet begrijpen, geen zelfkennis of zelfinzicht hebben, creëren we zelf het grootste deel van onze problemen. Ze ontstaan vanuit onwetendheid, wat men avidya noemt in het Sanskriet. Om er achter te komen hoe de geest werkt, moeten we kijken welke dingen bevorderlijk zijn voor ons geluk en welke dingen onze pijn en ons lijden juist versterken.
Bron: De essentie van het Boeddhisme, Traleg Rinpochee.
