Toewijding en verlichtingsgeest (bodhicitta)
Lama Tashi Nyima - 26 april 2025 - lezing 2
Lama Tashi Nyima - 26 april 2025 - lezing 2
Dan zien we, de resultaten zijn bereikt, ze gaan dus die regenbogen op. Maar dan zien we in ene keer dat de beoefenaar, of de monnik in dit geval, die op die olifant zit in de andere richting begint terug te komen. Die komt terug naar beneden, maar er is iets veranderd: hij heeft plotseling in zijn hand een zwaard vast. Dat is het zwaard van de wijsheid. Dat symboliseert de wijsheid. Waarom?
Het resultaat, dat je gestilde concentratie hebt bereikt, dat je dus de shinee-concentratie volledig hebt ontwikkeld, dat wordt in het Tibetaans Shin jang genoemd, wat eigenlijk wil zeggen flexibiliteit van lichaam en van geest. Uiteraard ga je met meditatie vooral je geest trainen en kom je eigenlijk in een situatie terecht waarbij je bewustzijn, zoals daarnet gezegd, kan inzetten voor wat je ook maar wil, maar dat gaat gepaard met een soort van een gelukservaring, die permanent aanwezig is. Dat wordt in het Engels soms vertaald als bliss, maar een soort gelukservaring waarbij je je perfect goed voelt in jezelf. Je hebt echt een gevoel van tevredenheid dat permanent en altijd aanwezig blijft vanaf dat moment.
Dan gaan we naar het zesde van de 9 stadia of 9 ervaringen, en dat noemt in het Tibetaans Shiwar jepa of in het Nederlands het tot rust brengen van de geest. En wat is er veranderd in het zesde stadium? Het konijntje is helemaal verdwenen. Dat wil zeggen, dat op dit moment loomheid geen onderdeel meer is van de meditatie. Je kan van nature helder blijven in je meditatie. Dat aspect van die heldere aanwezigheid is duidelijk aanwezig en er is geen sprake meer van loomheid, ook niet van de subtielste vorm van loomheid.
Dat aapje hangt er nog wel aan, en die is bijna volledig wit. Die heeft nog een klein beetje zwart aan zijn pootjes, wat wil zeggen dat er nog altijd een heel subtiele vorm van onrust zich kan aandienen in dit stadium.
Dan gaan we naar het zevende stadium. In het Nederlands noemen we dat het diepgaand tot rust brengen; het wordt ook soms vertaald als het volkomen pacificeren. Dat wil zeggen, dat op dit moment van de beoefening we niet meer afgeleid kunnen worden. We ervaren ook niet meer dat we loom of moe worden. We kunnen gewoon verder in onze beoefening.
Er zijn wel nog subtiele zaken nodig: we hebben nog een beetje enthousiaste volharding nodig om verder te zetten. Maar op zich gaat het al heel goed in onze beoefening: geen loomheid meer, geen afleiding meer, alleen heel heel subtiel. Je ziet ook dat die tekening net iets anders is dan de andere. De olifant is hier aan het wandelen en het aapje zit van onder, aan de voeten van de beoefenaar, en dat wil zeggen dat er alleen nog maar een hele, hele subtiele vorm van onrust mogelijk is.
En dat wordt eigenlijk op die manier weergegeven, wat wil zeggen: het konijntje is helemaal weg en het aapje wandelt niet meer mee in de tred met de ander. Dus die is niet altijd aanwezig, maar die komt zo af en toe nog eens aan het kleed trekken van de monnik in de zin van: ik ben hier nog, ik ben nog niet helemaal weg. Daarvoor zit hij dan op die plek op de tekening, dus om aan te geven dat er alleen nog heel subtiel een beetje onrust is af en toe.
Als we verder gaan, dan hebben we het vierde en het vijfde stadium. Het vierde noemt het diepgaand plaatsen en het vijfde noemt het temmen van de geest of het bedwingen van de geest. Dat zie je eigenlijk gebeuren in die volgende bocht : wat zie je daar veranderen? In het stadium ervoor, wandelt de beoefenaar nog achter de olifant en het aapje en ze kijken beiden duidelijk naar de beoefenaar. Met andere woorden : er is contact met de geest en de afleidingen. Ze werden al steeds witter maar bij de volgende stap worden ze nog witter.
Wat is er intussen gebeurd? De beoefenaar staat plots niet meer achter de olifant en het aapje, maar ervoor. Dus de olifant en het aapje gaan de beoefenaar nu gewillig volgen. Hier is echt een kaap genomen, want we worden niet meer voortgetrokken door afleidingen en de bewegingen in onze geest. Die volgen ons nu en dus hebben we controle verkregen over onze geest.
Wat je hier ook ziet gebeuren : in het begin liepen alle figuren los van elkaar, zowel het aapje als de olifant. Dan kwam de leiband aan de olifant. Nu zie je ook dat waar de beoefenaar voorop loopt, de leiband van de olifant licht gebogen hangt, die is niet langer meer strak gespannen. Dat wil zeggen dat het bewustzijn vanzelf volgt als de beoefenaar zegt: we gaan deze richting uit. De olifant volgt dus met gemak.
Het aapje heeft nu ook de staart van de olifant vast en het konijntje zit netjes op zijn rug. Ze zijn allen half wit geworden en ze zitten allemaal vrij dicht bij elkaar. Dat symboliseert dat de onrust voor de helft is afgenomen.
En als er wordt gesproken over de onrust, dan wordt er een onderscheid gemaakt tussen een ruwe of grove vorm van onrust en een subtiele vorm van onrust. Er worden dus 2 vormen van onrust onderscheiden. Op dat moment heb je de grove vorm van onrust definitief achter je gelaten; er blijft alleen nog maar een subtiele vorm van onrust over. En het feit dat ze allen half gekleurd zijn, symboliseert dit stadium, waarbij die grove onrust volledig uit je meditatie is verdwenen. Er is nog wel een beetje onrust, maar dat is heel subtiel geworden. En ook het konijn zit in de helft. Er is alleen nog maar een zeer subtiele vorm van loomheid die nog overblijft.
Op dat moment begint de meditatie dus echt goed te lopen. Dan heb je het gevoel van ‘ik kan mediteren, dat doet mij deugd aan, dat doet mij goed, het lukt heel goed’. Het verheugen in je beoefening gaat op dit moment echt omhoog; je gaat er blij om zijn dat het nu echt lukt.
Tegelijkertijd, zegt Lama, en dat is de reden waarom er een boom naast getekend staat met een aapje in, kan dat ook een gevaar vormen. Het feit dat je dan zegt: ‘ah, nu lukt het, ik ben volledig tevreden’, kan ook een nadeel zijn.
Je denkt: ik pluk letterlijk de vruchten van mijn beoefening, dat is waar dat aapje voor staat : het plukt de vruchten uit de boom. Dus je haalt er dus bepaalde voordelen uit. Je bent geconcentreerder, je voelt je gelukkiger en nog allerlei zaken. Maar dan kan je in een soort gevaar terechtkomt om te denken van: ik pluk de vruchten van mijn beoefening, dit is voldoende, ik ben hier blij mee, ik ben tevreden, het lukt allemaal goed, en ça va. Dat is een gevaar, zegt Lama. Als je ervaart dat het goed gaat en je daar tevredenheid in vindt en denkt dat het voldoende is, zou je de neiging kunnen hebben om het daar dan effectief bij te gaan laten. En te denken : ik ben er. Ik heb het einde van het pad bereikt. Dus je moet op dat moment, ondanks dat je de vruchten kan plukken, dit ook zien als een soort afleiding of mogelijk obstakel, mocht je denken dat het hier stopt. Maar het pad loopt nog verder.
Lama zegt dat is één betekenis, dat er zich een afleiding presenteert. Maar tegelijkertijd moet je ook weten dat als je gewoon verder blijft beoefenen, ondanks dat je best tevreden mag zijn van de oefening en tevreden mag zijn van de resultaten die er zijn, dat je dan automatisch de andere stadia gaat doorlopen. Dus dat is ook wat je hier kan zien: als je het pad gewoon blijft volgen, dan zal de beoefening verder gaan. Het is niet dat je het pad af geraakt als je geniet, maar je moet dan gewoon beseffen dat het mogelijk een obstakel kan zijn.
We komen ook nog graag even terug op de laatste vraag die vorige week aan Lama werd gesteld, nl. of de boeddhistische middenweg geen rem is voor de creatie van “grootse” kunst, zoals we die in het Westen kennen in de werken van Michelangelo, Picasso, Da Vinci, ontstaan uit getormenteerde passie en groot ego.
Op zich was dit een goeie vraag en ze raakt meteen ook het fundamenteel verschil aan hoe men in het Westen en het Oosten kijkt naar creativiteit, ego en drijfveren achter meesterschap. Voor Lama was deze vraag echter moeilijk te beantwoorden omdat hij helemaal niet vertrouwd is met het Westers perspectief. Hieronder vind je nog wat extra toelichting aangaande dit item door Lama.
In de westerse traditie zien we kunstenaars
als Michelangelo en Picasso vaak als getormenteerde
genieën. Hun grootse kunst komt voort uit een sterke individuele
geldingsdrang en een strijd met innerlijke demonen. Vanuit Westers
perspectief is ‘Kunst’ dan de ultieme expressie van het unieke, vaak lijdende
individu. Vanuit Boeddhistisch perspectief, de Middenweg, streeft men echter naar
het vermijden van extremen (zoals extreme ascese of excessieve passie) om
lijden te beëindigen. Hierdoor wordt creativiteit geen strijd van het ego, maar
een vorm van meditatieve beoefening waarbij de kunstenaar juist verdwijnt
in het proces. Of de Middenweg dan een rem is, hangt weer af van hoe
grootsheid wordt beschouwd. Waar westerse kunstenaars vaak streven naar
onsterfelijkheid via hun werk, beoefenen boeddhistische kunstenaars (zoals bij
het maken van bijvoorbeeld zandmandala’s) juist het loslaten. De kunst is
groots in haar tijdelijkheid en het proces, niet in het monument voor de
maker. Het boeddhisme brengt ook kunst voort die groots is haar sereniteit
en eenvoud, als we bijv. denken aan de Zen-tuinen, Haiku’s, enz. Dus als
conclusie zouden we inderdaad kunnen stellen dat de Middenweg de westerse vorm
van op ego gebaseerde explosieve kunst remt, maar ook de deur opent naar een
ander soort grootsheid, nl. een kunst die niet voorkomt uit ‘moeten’ of
‘lijden’ maar uit een diepe verbinding met de realiteit zoals die is. Het
resultaat is minder een ‘schreeuw’ van het individu en meer een weerspiegeling
van de universele natuur.